Bewoner binnen een windpark. Bent u belanghebbende?

Foto van r. S.J. de Haan | Jan © Marco Okhuizen

4 maart 2019, Amsterdam | leestijd ongeveer 5 minuten
Auteur: mr. S.J. de Haan | Jan


In deze blog staat de belanghebbende centraal. DOKK Advocaten heeft in de procedure over Windpark De Drentse Monden en Oostermoer (hierna: Windpark DDM-OM) op 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, uitspraak ontvangen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hierin zijn een aantal belangwekkende uitspraken gedaan inzake het belanghebbende begrip.

Niet iedereen kan op bestuursrechtelijk niveau procederen bij de rechter, daarvoor moet u in ieder geval als belanghebbende worden aangemerkt in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De kring van belanghebbenden is vaak een discussiepunt tijdens bestuursrechtelijke procedures, waardoor er ook veel jurisprudentie op dit gebied te vinden is. Bij grootschalige windparken op land was jurisprudentie nog spaarzaam.

Gevolgen van enige betekenis

De Afdeling verwijst in de uitspraak van Windpark DDM-OM eerst naar de correctie die sinds 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, op het belanghebbende begrip wordt toepast. Wilt u als belanghebbende worden aangemerkt, dan moet er uit de activiteit rechtstreeks feitelijke gevolgen worden ondervonden, namelijk ‘gevolgen van enige betekenis’. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Tien keer de tiphoogte

Voor windparken op land hanteert de Afdeling nu als uitgangspunt dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte (210,5 meter) van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. Bij een grotere afstand gaat de Afdeling ervan uit dat er geen andere gevolgen van enige betekenis van het windpark zijn te verwachten, zoals geluid- of slagschaduwhinder. De Afdeling laat daarbij wel ruimte open door de afstand in beginsel op 2105 meter te stellen. Dat geeft de Afdeling wel enige bewegingsruimte om anders te oordelen. Er zijn omstandigheden voorstelbaar waarin de Afdeling de afstand van de belanghebbende op een grotere afstand accepteert. Deze omstandigheden werden ook al enigszins toegepast door de Afdeling.

In de uitspraak van Windpark Wieringermeer is de belanghebbendheid aangenomen op een afstand tot 2300 meter, gezien de ruimtelijke uitstraling van de windturbines vanwege hun maximale tiphoogte van 237,5 meter, hun plaatsing in open enigszins lager gelegen gebied en de mogelijke effecten van de windturbines voor het milieu.1 De Afdeling oordeelde daarentegen bij Windpark Kabeljauwbeek dat appellanten op 2500 meter géén belanghebbenden zijn (met een tiphoogte van 183,5 meter), aangezien hinder als gevolg van geluid of slagschaduw dan wel externe veiligheidsrisico’s zijn uitgesloten.2 Vandaag de dag zou de Afdeling - in geval van geen bijzondere omstandigheden - oordelen dat op bij een grotere afstand dan 2375 meter, respectievelijk 1835 meter, geen gevolgen van enige betekenis aanwezig worden geacht. Hogere windturbines veroorzaken dus automatisch een grotere beïnvloeding op de woon- en leefklimaat en vergroten daarmee de afstand van hinder.

Zichtcriterium

De uitspraak geeft aan dat het enkel hebben van zicht op het windpark niet voldoende is om gevolgen van enige betekenis te kunnen aannemen. De Afdeling gaat er daarbij van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel ‘te beperkt’ zijn. Aangezien windturbines op zeer verre afstand nog zichtbaar zijn wordt hiermee het zichtcriterium, en dus de kring belanghebbenden, behoorlijk beperkt. Recent oordeelde de Afdeling nog in een wind op zee situatie dat windturbines - met een tiphoogte van 251 meter - op een afstand van 22,2 km nog zichtbaar zijn.3 De gevolgen waren echter dermate gering dat appellanten alsnog niet aangemerkt konden worden als belanghebbenden.

Een leemte in de huidige uitspraak blijft nog het geval dat belanghebbende een flatbewoner is. Zij hebben vaak vanwege de hoogte van hun woning een overzicht van de gehele omgeving. Hoe hier mee omgegaan moet worden blijft nog onduidelijk. Onder andere de (knipperende) verlichting - die vooral s’ nachts zichtbaar zal zijn - is een factor die dan in overweging genomen moet worden.

Het belanghebbendebegrip bij grootschalige wind op land procedures blijft dus een exercitie waar feitelijke omstandigheden een zeer belangrijke rol spelen, wat veel tijd en energie vraagt voor de belanghebbende om dat in voldoende mate te motiveren, maar ook zeker voor de rechterlijke macht om dit van geval tot geval weer te beoordelen.

1 ABRS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228.
2 ABRS 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3405.
2 ABRS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3354

Foto op IJburg Diemerpark © DOKK advocaten